Hub Cobben (1908 -1976)

Steun en toeverlaat van De Mijnstreek in moeilijke tijden

 

In augustus 1976 werd met ontzetting gereageerd op de onverwachte dood van Hub Cobben. Een aanrijding op de Klinkertstraat bij Kasteel Hoensbroek werd hem fataal. Hij was met een neefje de eendjes gaan voeren. Onder bijzonder grote belangstelling van vooral oud-mijnwerkers werd hem de laatste eer bewezen. Hub vertegenwoordigde voor velen de hoop in bange dagen voor de door de mijnsluitingen ontwrichte Mijnstreek. De laatste Limburgse steenkolenmijn was in 1974 gesloten. Wat veel koempels restte, was hun pensioen. En juist dat bleek vaak slecht geregeld. Met een ongekende energie organiseerde Hub Cobben de actie voor verbetering van de mijnwerkerspensioenen, met als absoluut hoogtepunt de Mars naar Den Haag in september 1975. En nu was hij erop eens niet meer. De waarde van Hub voor de Mijnstreek werd ook ingezien door de muziekgroep Carboon. Toen zij enkele maanden na zijn overlijden hun eerste elpee “Witste nog koempel …“ uitbrachten, werd het eerste exemplaar als hommage aangeboden aan de weduwe van Hub Cobben.

Hub Cobben (1908-1976)

Hub Cobben bij Staatsmijn Emma

Jeugd en eerste arbeidservaringen

Hubert (Hub) Christiaan Cobben werd op 22 juni 1908 in het centrum van Heerlen geboren. De voornaam Hub kwam vaker voor in de familie. Zijn vader Jan Willem, afkomstig uit een familie van knechten, dagloners en huishoudsters, wordt in 1900 mijnwerker. In 1907 trouwt hij met Philomena Quadackers, afkomstig uit een familie van landbouwers en dienstmeiden; op 16 augustus voor de burgerlijke stand en een dag later voor de kerk. Beiden waren Rooms Katholiek. Zij betrokken een bescheiden woning aan de Stationsstraat, tegenover waar later de bioscoop Royal zou komen. In 1911 verhuisden zij naar de Burgemeester Boshouwerslaan in Hoensbroek. De woning in Heerlen was te klein geworden voor het zich snel uitbreidende gezin. Er werden elf kinderen geboren. Twee hiervan zijn jong overleden

In 1924, op 16-jarige leeftijd, meldde Hub zich bij de Staatsmijn Emma. Daar werd hij in de loop van de jaren meester-houwer; net als zijn vader. En net als zijn vader werd hij lid van de Katholieke Mijnwerkersbond. Toen deze bond in de jaren ’30, tijdens de economische crisis, meerdere malen akkoord ging met een loonsverlaging – de laatste met 10 % – was voor Hub grens van meegaandheid bereikt.

Teleurgesteld stapte hij uit de katholieke bond, die in zijn ogen te veel op de schoot van de directies zat. Hij sloot zich aan bij de Algemene Bond van Werkers in het Mijnbedrijf (ABW) die steviger opkwam voor de belangen van de mijnwerkers. Al snel werd Hub Cobben een van de leiders van de ABW. Vooral na de oorlog is deze politiek onafhankelijke vakbond de enige die in 1946 een staking durft te organiseren. De gevestigde orde is daar niet blij mee. In 1947 werd de ABW door de bisschop voor katholieken verboden. Ook in het dagelijks leven kregen diegenen die niet katholiek georganiseerd waren het door allerlei pesterijen en intimidaties hard voor de kiezen. Je moest wel sterk in de schoenen staan om hiertegen bestand te zijn. In 1975 vertelt Hub Cobben: “Kunt u zich voorstellen dat de pastoor met de hostie aan de communiebank komt en een man vraagt of hij nog steeds lid is van die bond. En als die man knikt hem gewoon voorbijgaat. Ten aanschouwe van de hele kerk. Toen mijn zoon een jaar of 10 was kwam hij thuis van school met de mededeling dat die middag de hele klas voor mijn bekering gebeden had. Later wou Willie nota bene zelf de mijn in. Toen heb ik hem geslagen. En omdat hij niet wilde luisteren heb ik het versierd dat hij een dag mee ondergronds mocht. Toen hij thuiskwam, zei hij dat hij de mijn nog niet in zou gaan al verrekte heel Nederland van de kou. En hij had het ergste nog niet eens gezien.”

Veertig jaar zou Hub in dienst blijven van Staatsmijn Emma, waarvan 32 jaar ondergronds. Ook na zijn pensionering blijft hij een van de kopstukken van de ABW. Hij richt zich dan vooral op de belangen van de gepensioneerde mijnwerkers. Na lang en hard werken, verdien je een fatsoenlijk pensioen, vindt hij. De ABW telt dan 6.000 leden.

Hub Cobben met Sjekkie

De strijd om betere pensioenen in de jaren ’70

Het probleem was dat de mijnwerkerspensioenen niet waardevast waren. Er werd geen inflatiecorrectie toegepast, waardoor de koopkracht van oud-mijnwerkers er elk jaar op achteruit ging. De inflatie was in de jaren ’60 en ’70 hoog. Het Limburgs Dagblad publiceerde op 14 december een onderzoek waaruit bleek dat de koopkrachtdaling van de pensioenen sinds 1965 maar liefst 50% bedroeg.

Hub Cobben zelf krijgt met zijn 40 dienstjaren ongeveer het hoogste pensioen dat het AMF kent. Boven de AOW is dat 180 gulden (vuil) per maand. Dat is ongeveer €80,-. Dit bedrag verandert niet in de tien jaren vanaf zijn pensionering. In die periode stijgt de prijs van 50 cent naar f.1,25.

De pensioengelden werden beheerd door het Algemeen Mijnwerkers Fonds (AMF). Lange tijd kende het AMF een algemene vergadering die door mijnwerkers gekozen werd.

De ABW wist bijna de helft van de vertegenwoordigers te leveren. In 1967 werd deze vergadering opgeheven en vervangen door een bestuur met zes zetels voor de werkgevers en zes zetels voor de werknemers, waarvan slechts één zetel voor de ABW. Die zetel werd door Hub Cobben bezet, maar als eenling kon hij hier niets bereiken.

De strijd voor betere pensioenen werd aangevoerd door de beroepsgroep gepensioneerden van de ABW. Daarnaast was er een breed comité gevormd dat vooral door de Communistische Partij van Nederland (CPN) werd geleid. Hub Cobben was beducht voor een dominante positie van de communisten. Inhoudelijk had hij veel sympathie voor de socialisten en communisten. Maar hij wilde absoluut niet dat de pensioenactie als “communistisch” afgedaan zou worden. De samenwerking tussen beide groepen verliep nogal stroef.

Door de hele mijnstreek werden bijeenkomsten georganiseerd. Tal van personen en organisaties van zeer uiteenlopende pluimage verleenden hier uiteindelijk hun medewerking aan, waaronder ook de nodige geestelijken. Hub Cobben was de meest prominente spreker en kreeg met name in de jaren ’70 een grote naamsbekendheid bij “de gewone man en vrouw”.

Hub Cobben vraagt de zaal

Mars naar Den Haag met bussen

In 1975 – het jaar na de sluiting van de laatste mijn – bereikt de actie zijn hoogtepunt met de protestmars in maart en de “Mars naar Den Haag” in september. Op 25 maart vindt een grote protestmars plaats in het centrum van Heerlen, de mijnbouwhoofdstad. Meer dan 2.000 mijnwerkers en hun vrouwen bieden petities met eisen om de pensioenen te verbeteren aan op het kantoor van DSM en het AMF. Op 18 september brengen 80 bussen duizenden ex-mijnwerkers en hun achterban naar Den Haag. Op 6 november weigert premier Joop Den Uyl een petitie in ontvangst te nemen tijdens een bijeenkomt in de Stadsschouwburg in Heerlen. Ondersteund door een fluitconcert eist de zaal dat Hub Cobben op het podium mag spreken. En dat gebeurt ook. Uiteindelijk komen er enkele verbeteringen. De pensioenen worden verhoogd en er komt een beperkte indexatie. Het rijk stort een aanzienlijk bedrag in de pensioenfondsen.

Fanfare Heerlerheide bij Mars naar Den Haag

Video protestmars mijnwerkers met Hub Cobben